Arts én patiënt Warner Prevoo: ‘Stop met aangeleerde empathie’

Na jarenlang kankerpatiënten te hebben behandeld in het AVL, kreeg hij zelf longkanker. Interventieradioloog Warner Prevoo verbaast zich sinds hij patiënt is over veel dingen. “Ik deel die verbazing graag. En hoop dat ik zo alle partijen in de zorg aan het denken kan zetten.”  

Warner Prevoo (1963) neemt geen blad voor de mond, maar het is niet zijn bedoeling om mensen voor het hoofd te stoten. “Ik kom misschien scherp uit de hoek, maar dat is niet mijn bedoeling. Ik vind het mooi om mensen aan het denken te zetten en met elkaar te verbinden. Ik heb in tegenstelling tot veel patiënten de positie en het netwerk om dat te doen.”

Geen prognose

Prevoo werkt op dit moment als interventieradioloog in het OLVG. En dat blijft hij doen zo lang het kan. “Het gaat nu goed met me, maar dat kan zo omslaan. Hoe lang ik nog heb? Geen idee. Veel patiënten willen van hun arts een prognose horen, maar die kan en moet een arts niet hoeven geven.”

Welke boodschap moet een arts wel geven? Prevoo begint meteen met wat artsen vooral niet meer moeten doen. “Ik erger me vreselijk aan de aangeleerde empathie waar veel artsen mee komen. Die staat het echte patiëntcontact in de weg. Ze kunnen wel zeggen dat ze het snappen, maar als je geen kanker hebt of hebt gehad, zeg dan ook niet dat je snapt hoe het voor iemand is of hoe iemand zich voelt. Je snapt er geen reet van. Zeg ‘het is verschrikkelijk, ik kan me niet voorstellen hoe verschrikkelijk. Maar ik ga er alles aan doen om u zo goed mogelijk te behandelen’.”

Leven met ziekte

Een arts moet volgens hem zijn patiënt leren om met de ziekte te leven. Helaas bestaat daar geen handleiding voor. “Ik heb gemerkt hoe het is om daar je weg in te vinden. Ik weet nu dat iedere patiënt daar voor zichzelf een weg in moet vinden. De een gaat voor mindfulness, de ander gaat naar een psychiater en weer een ander kiest voor lotgenotencontact. Uiteindelijk ontdek je door schade en schande hoe je met je ziekte leeft. Je hebt geen keuze, je moet wel.”

Stop met vergelijken

“Nog zo’n ding. Ik hoor nogal eens van artsen dat ze niet weten wat ze met klachten van patiënten aan moeten. Een patiënt geeft aan dat hij moe is of pijn heeft. Dan kan zo’n arts bij zichzelf denken ‘ik ben ook moe, ik heb veel te hard gewerkt’. Maar dat is zelfgekozen vermoeidheid.  Die is niet te vergelijken met de opgelegde vermoeidheid door kanker, of tijdens een kankerbehandeling.  Hoe dat voelt, dat weet ik nu zelf ook. Ook bij pijn kun je je niets voorstellen als je het niet zelf hebt meegemaakt. Probeer de klacht serieus te nemen en niet te vergelijken met een situatie waarin je zelf moe bent, of pijn hebt.”

Technische behandeling

De ziekte heeft van Prevoo geen andere arts gemaakt. “Volgens mij ben ik altijd al mezelf geweest. Ik probeerde altijd al de tijd te nemen om de patiënt te leren kennen en met humor het ijs te breken. Patiënten zetten mij niet op een voetstuk en dat moet ook niet.”

“Artsen richten zich te vaak op de technische behandeling. Aandacht geven aan de mens achter de kwaal is vaak best ingewikkeld, ook omdat ze de tijd niet hebben om zich in de patiënt te verdiepen. De kern van de behandeling is goeie communicatie tussen de arts en de patiënt.”

Niet vanzelfsprekend

Wat er wel veranderd is in zijn werk, is dat hij dingen die altijd heel normaal waren niet meer als vanzelfsprekend beschouwt. “Een voorbeeld. Ik weet nu pas hoe onplezierig het is om een biopt te ondergaan. Ik zei net als andere artsen altijd heel gemakkelijk ‘We nemen even een bioptje. Dat kan ik nu niet meer. Natuurlijk zijn de gegevens uit de biopten nodig om te weten hoe een patiënt ervoor staat en ook heel belangrijk voor de wetenschap. Ik besef nu wat ik een patiënt aandoe als ik zo’n biopt neem en ik benoem dat naar de patiënt toe. Wat voor ons routine is, is voor de patiënt soms best belastend.”

“En ander voorbeeld. Ik verkeer in de luxe situatie dat ik als collega-radioloog vrijwel direct de uitslag van mijn scan krijg. Voor een patiënt is het echt niet te doen om een week op een uitslag te wachten waar zoveel van af hangt. Van een echo kun je meteen een uitslag geven, daar hoef je een patiënt niet voor in spanning te laten zitten. Bij een CT-scan duurt het wat langer, dat kan niet anders. Maar in de praktijk moeten patiënten soms langer dan een week wachten op de uitslag. Dat vind ik niet kunnen.”

“Het is mijn ervaring dat patiënten het vaak niet erg vinden om iets langer op een scan te wachten, als ze dan maar wel snel de uitslag krijgen. Soms geeft een ziekenhuis er echter de voorkeur aan de wachttijden om gescand te worden zo kort mogelijk te houden. Het komt voor dat patiënten naar een poli komen, terwijl de uitslag nog niet bekend is.”

“Ik heb daar weleens een discussie  over gehad met een manager . Die zei ‘ach, dan is de patiënt in ieder geval weer even in de kliniek geweest. En dan maken ze toch weer een afspraak voor een week later? Alsof hij daarop zit te wachten. Pas als je weet hoe zwaar dat wachten is en hoe ondraaglijk de spanning is, wil je er alles aan doen om de wachttijd zo kort mogelijk te houden. En dan doe je er alles aan om te zorgen dat een patiënt niet voor niets komt.” “

Stoppen met behandelen

“Een andere les die ik geleerd heb, is dat artsen vaak terughoudend zijn om het stoppen met behandelen te bespreken. Toegeven dat een patiënt uitbehandeld is en dan een palliatief traject bespreken, is moeilijker dan nog een fase 1 studie uit de kast te halen. Maar het is de vraag of de patiënt daar iets mee opschiet. Natuurlijk kunnen we niet zonder wetenschap en studies zijn belangrijk, maar ik vraag me oprecht af of we dat alle patiënten mogen aandoen. Ik denk dat als een patiënt heel uitgebreid is behandeld met veel bijwerkingen en complicaties, dat je dan kan bespreken dat het nu wel genoeg is geweest.”

Het blijft een lastig dilemma, geeft hij toe. “Een patiënt schiet met een fase 1 studie wellicht weinig op. Ze leven niet langer en de gang naar het ziekenhuis moet nog steeds regelmatig ingezet worden, terwijl je de laatste maanden zoveel mogelijk weg zou moeten blijven uit het ziekenhuis. En gebruiken om nog leuke dingen te doen, voor zover mogelijk.”

Prevoo geeft eerlijk toe dat hij niet weet wat hij zelf zou beslissen. “Je hoopt natuurlijk altijd dat jij degene bent die wel baat heeft bij het middel. Gelukkig komt er wel steeds meer aandacht voor het palliatieve traject. Mijn vader, die ook longkanker had, bleef zich vastklampen aan behandelingen. Ik vond het echt heel moeilijk om te zien dat hij zich maar bleef vasthouden aan behandelingen die eigenlijk niet werkten. De tijd om afscheid te nemen werd hierdoor aanzienlijk verkort. Uiteindelijk heb ik hem weten te overtuigen dat hij ook kon overwegen te stoppen met de behandeling. Hij heeft daarvoor gekozen uiteindelijk en nog twee maanden geleefd, waarvan een maand met redelijke kwaliteit van leven. Het advies om te stoppen had niet van zijn zoon moeten komen, maar van zijn arts.”

Op de rug

Prevoo verbaast zich niet alleen over de artsen, maar ook over patiënten en patiëntenorganisaties. “Ik zeg weleens dat patiënten te snel op hun rug gaan liggen. Ze laten de behandeling over zich heen komen en zien de arts als alwetend. De patiënt moet zijn rol pakken en keuzes maken. Daar kan een patiëntenorganisatie bij helpen. Maar vaak zijn dat betaalde krachten die net als artsen niet weten hoe het voelt om ziek te zijn. Ze schrijven mooie folders, maar dat is natuurlijk niet voldoende.”

“Ik kwam laatst in een ziekenhuis in het centrum van het land. In de hal hingen allemaal posters. Die gingen nu eens niet over de prestaties van het ziekenhuis, maar over de patiënt. De posters riepen de patiënt op om drie goede vragen aan de arts te stellen. Daar heb je als patiënt wat aan. Zo’n ziekenhuis slaat zichzelf nu eens niet op de borst, maar bekijkt het vanuit de positie van de patiënt. Dat vind ik mooi.”

Samenwerken

Value based healthcare is een manier om de zorg beter te maken, maar wel een ingewikkelde aldus Prevoo. “Natuurlijk is het mooi dat de patiënt centraal staat. Dat daar steeds meer aandacht voor komt en dat het nationaal en internationaal aandacht krijgt. Maar er zijn zoveel partijen bij betrokken. Raden van bestuur, verzekeraars, politici, iedereen wil er zijn zegje over doen.”

Hij vraagt zich af waarom ziekenhuizen niet meer samenwerken. “Volgens mij is iedereen op dit gebied het wiel aan het uitvinden met projectgroepen, bijeenkomsten en stapels papier. Waarom wisselen ze niet uit wat ze doen en leren ze niet van elkaar? En waarom kunnen wij de zorg niet verdelen in plaats van dat iedereen hetzelfde doet? Het kan efficiënter en ook goedkoper.”

Ideale wereld

Hoe ziet volgens Prevoo de zorg eruit in de ideale wereld? “Heel simpel. Een relaxte dokter die niet onder tijdsdruk werkt, en alle tijd heeft om zijn patiënten in iedere fase van de ziekte te behandelen en te begeleiden. Je vormt met je patiënt een team en speelt samen de wedstrijd uit.”

Prevoo verbaast zich niet alleen over artsen en patiënten, ook over zorgbestuurders: “Het valt mij steeds weer op dat de afstand tussen de bestuurskamer en de werkvloer zo groot is. Zorgbestuurders zouden eens vaker en regelmatiger op de werkvloer moeten gaan kijken. “Ik begrijp heel goed dat ze overvolle agenda’s hebben. En dat hun materie werkvloer-overstijgend is. Tijd inruimen om te peilen wat er leeft, zou toch enige prioriteit moeten hebben, anders wordt de afstand tot de werkvloer te groot. Dokter zijn is nog steeds het mooiste vak dat er is. Geef artsen dan ook de kans om hun vak zo goed mogelijk uit te voeren; overlaad ze niet met regels, bureaucratie en tijdsdruk en betrek ze optimaal in besluitvorming.”

Prevoo is spreker op het jaarcongres De Qruxx van Kwaliteit van 5 november 2019.Hij beschreef zijn ervaringen als patiënt in het boek Echte dokters huilen ook.  

Bron: Qruxx, auteur Maaike Zweers, foto Frank Ruiter

 

Deel dit bericht